Katholiek en protestant

 

Het gebeurt in een klein stadje in het Oosten van het land. Groen glooiende heuvels omzomen het plaatsje en dwars door het centrum kabbelt een rustige beek. Over de brug die Noord en Zuid verbindt hangen altijd wat werkloze of gepensioneerde, altijd mannelijke inwoners, rond. Ze turen in het water of kijken pratend langs elkaar heen, rochelend en altijd een peuk in de mondhoek. Het is zomaar een stadje met in de hoofdstraat een Hema, een Blokker, een versmarkt, waarin een slager, een bakker en een groenteboer. Op de hoek is een shoarma-tent waar nooit iemand zit.

Doordeweeks is er een flinke bedrijvigheid. Bouwvakkers stampen nieuwe Vinex-wijken uit de grond, er is een bloeiende autohandel, de wekelijkse markt is bekend in de weide omgeving en vuilnismannen legen zingend de vuilcontainers.

Maar op zondag kan het nergens anders in de wereld zo somber en stil zijn, kunnen nergens anders de straten zo uitgestorven en droefgeestig zijn als in dit kleine stadje in het oosten van het land.

Het merendeel van de bevolking hangt de protestantse religie aan. En dan niet zo maar wat bijbel lezen of één keer per week naar de kerk. Nee, het gaat hier om het gitzwarte, zwaar gereformeerde geloof. Activiteiten op zondag zijn uit den boze, zo staat in het vierde gebod van de Tien geboden.

Alle horeca is gesloten, zwembaden en sportvelden dicht. Ook Tv en radio zijn taboe, de zondag is er alleen voor rust en gebed. Om drie uur ’s middags begeven de inwoners zich te voet kerkwaarts. Mannen gehuld in sombere zwarte pakken en vrouwen gekleed in driekwart of lange rokken, zwarte kousen en op de haarknotjes prijken hoedjes, strak en streng.

 

Tussen het kerkvolk loopt ook Gertjan, een boomlange boerenzoon, één meter negentig, zwart krullend haar, stevige tred, op weg naar de tempel van de Heer. Maar vandaag heeft Gertjan zijn hoofd niet bij het religieuze. Hij denkt alleen maar aan zijn Lieke.

Een paar weken geleden hebben ze elkaar ontmoet in een oecumenisch jongerencentrum. Het was er meteen, dat irrationele gevoel, de blikken, de vlinders, de flits. De polsslag steeg naar het niveau van een wedstrijdschaatser op de 10 kilometer. Verliefd werden ze, als nooit tevoren.

Helaas zal het nooit iets kunnen worden. Lieke behoort tot de kleine katholieke enclave die het dorp ook rijk is. Dus ontmoeten de twee geliefden elkaar stiekem op woensdagavond als Lieke van naailes komt en Gertjan van de voetbaltraining.

Hun ouders weten nog van niks, maar naar hun reactie valt te raden.

Gertjan bedenkt, verblind door de roes van de verliefdheid een bizar plan. Hij gaat naar de pastoor van Lieke’s kerk en vertelt zijn verhaal. De pastoor luistert aandachtig maar valt bijna van zijn leren rookstoel af als Gertjan eindigt met: “En daarom wil ik katholiek worden”. “Meen je dat echt , en je ouders dan ?”

“Ik kies voor Lieke, met haar wil ik trouwen”. De pastoor ziet de wanhoop in Gertjans ogen en stemt toe. Hij leert hem in een spoedcursus over de doop, het vormsel, het sacrament van het huwelijk, de eucharistie-viering  en alles wat bij het kaholieke geloof hoort. Gertjan is gelukkig. Hij vertelt nog niets aan Lieke. Hij zal haar volgende week verrassen door in haar kerk te zijn en samen zullen zij die H. Mis bijwonen.

De week daarop gaat Gertjan, onder het alibi van een vroege voetbalwedstrijd, naar de hoofdmis in Lieke’s kerk. Onwennig neemt hij plaats in de eikenhouten kerkbank, voortdurend om zich heen kijkend op zoek naar Lieke. Maar nergens kan hij een blik van haar opvangen: “Ze is er niet, is ze ziek? Wat zou er zijn? “ Als ook bij het uitgaan van de kerk Lieke nergens te bespeuren is, bekruipt hem een angstig gevoel. Terneergeslagen drentelt Gertjan naar huis. Het had zo mooi kunnen zijn.

’s Middags besluit hij om nog maar eens een straatje om te gaan. En dan ziet Gertjan het protestantse volksdeel, waartoe hij ook tot voor kort bij behoorde, ter kerke gaan. Zwarte pakken, rokken tot over de knie en de hoedjes. Plotseling verstijft Gertjan. Ziet hij het goed? Is die jonge dame met dat witte hoedje Lieke? Ze is het. Hij wil naar haar toe rennen, maar met een rustig handgebaar houdt ze hem op afstand, want zo vlak voor het godshuis mag er niet worden gesproken. Gertjan is radeloos. Wat gebeurt hier? Lieke betreedt de kolossale kerkdeur, Gertjan in vertwijfeling achter latend. Hij blijft wachten tot de dienst afgelopen is en als Lieke de kerk uitkomt, klampt hij haar direct aan: “Waar was je nou Gertjan”, zegt ze op rustige toon. “ Ik had je willen verrassen.”

Gertjan doet verbijsterd een stap achteruit en alleen de plotseling opkomende regenbui verhullen de dikke tranen die over zijn wangen biggelen.

 

Februari 2007

Jack de Coninck